en
Belastingplan 2008
Nader belicht
Het
kabinet is er in geslaagd het merendeel van de
Belastingplannen
voor 2008 overeind te houden.
Hoe
zien de uiteindelijke maatregelen eruit?
Omdat dit het eerste jaar is van
het
vierde kabinet Balkenende is het niet verwonderlijk dat het Belastingplan 2008
en de Overige fiscale maatregelen
voor
2008 een groot aantal maatregelen bevat waarmee het kabinet zich wil profileren.
Het is mede daarom weinig
verrassend
dat diverse onderdelen van de kabinetsplannen forse weerstand hebben
opgeroepen. Niettemin is het
kabinet
er op hoofdlijnen in geslaagd de plannen voor 2008 overeind te houden. Daarbij
gaat het onder meer om de volgende zaken:
• In
het coalitieakkoord was afgesproken de algemene heffingskorting in de
jaren
2008 t/m 2011 niet voor inflatie te corrigeren. Voor 2008 is hier met het
oog op
de koopkracht eenmalig van afgeweken; de verhoging voor 2008
wordt
in de jaren 2009 t/m 2011 weer geleidelijk teruggedraaid;
• De
overdraagbaarheid van de algemene heffingskorting wordt met
ingang
van 1 januari 2009 in 15 gelijke stapjes van 6 2/3e % naar nihil afgebouwd.
Deze
afbouw is niet van toepassing voor partners die voor 1 januari
1972
zijn geboren of die in hun gezin kinderen verzorgen van vijf jaar of jonger;
• Het
maximum van de arbeidskorting wordt in de jaren 2008, 2009, 2010 en
2011
verhoogd met respectievelijk 30 euro, 32 euro, 30 euro en 60 euro.
Nieuw
in de systematiek van de arbeidskorting is dat de verhogingen
die
vanaf 2009 worden doorgevoerd vanaf een inkomen vanaf een inkomen
van
40.000 euro langzaam via een afbouwpercentage van 1,25 , zullen teruglopen naar
nihil;
• De
combinatiekorting daalt met 40 euro, terwijl de aanvullende combinatiekorting
in 2008
met 35 euro stijgt. Vanaf 2009 komt er bovendien een
inkomensafhankelijke
toeslag op de aanvullende combinatiekorting;
• De
accijnzen op drank en tabak gaan aanzienlijk omhoog. Tijdens de parlementaire
behandeling
van de fiscale plannen voor 2008 zijn diverse verzachtingen
doorgevoerd
die zijn gefinancierd door de accijns op tabak
verder
te verhogen en naast de geplande verhoging van de accijns op
bier
ook een verhoging van de accijns op wijn door te voeren;
• De
bijtelling van de auto van de zaak wordt in 2008 verhoogd van 22% naar
25%,
met dien verstande dat voor zeer zuinige auto’s een lagere bijtelling van 14%
gaat gelden;
• Voor
deze zeer zuinige auto’s zal op een later moment ook een halvering
van het
tarief van de MRB gaan gelden;
• De
bonus-malusregeling in de BPM voor relatief schone en zuinige auto’s
wordt
verscherpt; de bonus voor zuinige auto’s gaat omhoog, evenals
de
malus voor onzuinige auto’s;
• Er
komt met ingang van 1 februari 2008 ook een CO2-toeslag in de BPM voor
auto’s
die in absolute zin onzuinig zijn. De definitieve CO2-toeslag is nog wat
strenger
dan het oorspronkelijke voorstel uit het Belastingplan 2008; voor benzineauto’s
wordt de grens nu
gelegd
op een CO2-uitstoot van 232 gram per kilometer en voor dieselauto’s
op 192
gram per kilometer. Voor elke gram extra uitstoot per kilometer
wordt
het BPM-tarief met 110 euro verhoogd;
• De
vooruitlopend op de invoering van de kilometerheffing voorgestelde verlaging
van de
BPM in ruil voor een verhoging van de MRB gaat door, met dien
verstande
dat de Tweede Kamer via een amendement de regering wel
heeft
gevraagd om voor 1 mei 2008 te komen met een geïntegreerd lange
termijn
perspectief en uitgewerkte voorstellen om aan de hand van CO2-
uitstoot
te komen tot een verdere differentiatie in de BPM en, wat betreft de
bijtelling
voor de auto van de zaak, in de inkomstenbelasting;
• Ook
de aangekondigde verhoging van de brandstofaccijnzen gaat door,
evenals
de verlaging en verlenging van de MKB-tarieven in de vennootschapsbelasting
en de
invoering van een integrale belastingplicht voor woning corporaties.
Omdat het budgettaire beslag
van de
buitengewone uitgavenregeling enigszins uit de hand begon te lopen, heeft het
kabinet besloten om via het Belastingplan 2008 in die regeling in 2008 een
bezuiniging door te voeren van 400 miljoen euro. Die bezuiniging wordt vormgegeven
door in 2008 de nominale zorgpremie en de aanvullende, inkomensafhankelijke
zorgpremie
niet langer als buitengewone uitgave aan te merken. In samenhang met deze
aftrekbeperking
wordt het niet-aftrekbare drempelbed rag in de buitengewone uitgavenregeling
verlaagd van
11,5%
naar 1,65% van het (gezamenlijke) verzamelinkomen.
Deze
bezuinigingsmaatregel is vooral bij de oppositiepartijen niet in goede aarde
gevallen, omdat deze bezuiniging
in hun
optiek vooral chronisch zieken en gehandicapten zou treffen.
Staatssecretaris
Jan-Kees de Jager heeft erkend dat de maatregel inkomenseffecten heeft, maar
heeft in dat
verband
wel gesteld dat deze inkomenseffecten relatief beperkt zijn en zeker niet
alleen betrekking hebben op chronisch zieken en gehandicapten, zodat het
‘nadeel’ over een veel grotere groep wordt uitgesmeerd. Bovendien heeft hij gesteld
dat naar het totaalplaatje moet worden gekeken, omdat de kabinetsplannen (ook)
voor chronisch zieken en gehandicapten maatregelen bevatten die positieve
inkomensgevolgen hebben. Uiteindelijk is de Tweede Kamer akkoord gegaan met
deze maatregel. Dat geldt ook voor de maatregel waarmee nu al, via het
Belastingplan 2008, wordt vastgelegd dat het restant van de buitengewone uitgavenregeling
per 1 januari 2009 in zijn geheel uit de inkomstenbelasting zal worden
geschrapt. Staatssecretaris De Jager heeft benadrukt dat chronisch zieken en
gehandicapten met ingang van 1 januari 2009 via een speciale, in de door
gemeenten uit te voeren Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) op te nemen
regeling, zullen worden gecompenseerd
voor
het vervallen van de buitengewone uitgavenregeling en dat een deel van de
besparing die het afschaffen
van de
buitengewone uitgavenregeling oplevert, zal worden gebruikt voor algemene koopkrachtreparatie.
Niettemin
heeft
dit voorstel hem stevige kritiek opgeleverd.
Die
kritiek had met name betrekking op het feit dat thans in het geheel nog niet
duidelijk is welke compensatieregeling in de Wmo zal worden opgenomen en hoe
dit algemene koopkrachtreparatie
er uit
gaat zien. Een aantal Tweede Kamerleden had daardoor de indruk dat ze, door nu
al met de
volledige
afschaffing van de buitengewone uitgavenregeling akkoord te gaan, min of meer
een blanco check zouden
tekenen.
Uiteindelijk heeft de Tweede Kamer toch met die voorstel ingestemd. Wel is er
door de Tweede Kamer nog een motie aangenomen, waarin de regering wordt
verzocht om aspirant-adoptiefouders met ingang van 1 januari 2009 een adequaat
alternatief te bieden voor het met ingang van die datum vervallen van
de
mogelijkheid adoptiekosten als buitengewone uitgave in aftrek te brengen.
Maatregelen voor hoge inkomens
Het op
Prinsjesdag ingediende Belastingplan 2008 bevatte twee controversiële maatregelen
die specifiek gericht
waren
op belastingplichtigen met hoge inkomens. Daarbij ging het enerzijds om het
aftoppen van de aftrekbaarheid van pensioenpremies boven een inkomen van
185.000 euro op jaarbasis en anderzijds om een zeer forse verhoging van het
eigenwoningforfait voor eigen woningen met een WOZ-waarde van meer dan 1
miljoen euro. Moesten deze maatregelen vooral als een politiek signaal worden
gezien.
Discussiepunten
Belastingplan 2008
Enkele
elementen uit de belastingplannen voor 2008
hebben
tot veel discussie geleid. Bemoeienis van
de Tweede Kamer, voortschrijdend
inzicht van staatssecretaris
Jan-Kees de Jager en reacties
uit
de samenleving hebben geleid tot
enkele wijzigingen ten
opzichte van de ingediende
plannen. Een overzicht.
Actuele
heeft
staatssecretaris Jan-Kees de Jager voorgesteld de aangekondigde verhoging van
het eigenwoningforfait
voor
eigen woningen met een WOZ-waarde van meer dan 1 miljoen euro gefaseerd in te
voeren. Aanvankelijk was
het de
bedoeling om met ingang van 1 januari 2009 het maximum van de bijtelling van
het eigenwoningforfait in 2007
van
9150 euro, dat thans van toepassing was voor eigen woningen met een WOZ-waarde van
1.663.636 euro en meer, te laten vervallen en tegelijkertijd een extra hoog
eigenwoningforfait van maar liefst 2,35% te introduceren voor het deel van de
WOZ-waarde van de eigen woning, dat boven 1 miljoen euro ligt. Daarbij wordt
volledigheidshalve opgemerkt dat het ‘normale’ eigenwoningforfait voor woningen
met een WOZ-waarde van meer dan 75.000 euro 0,55% bedraagt. De verhoging van
het eigenwoningforfait voor het deel van de WOZ-waarde van de eigen woning dat
boven de 1 miljoen euro ligt, wordt stapsgewijs doorgevoerd.
Vanaf
2010 wordt het normale percentage van het eigenwoningforfait van 0,55% in zeven
jaarlijkse stappen van 0,2571% verhoogd totdat in 2016 het oorspronkelijk geplande
forfait van 2,35%
van
toepassing zal zijn. Ondanks die fasering,
zal uiteindelijk nog steeds sprake zijn van een soms zeer forse
lastenverzwaring. In het vorige nummer van Majoor Belastingadviseurs hebben wij
het voorbeeld gegeven van een eigen woning met een WOZ-waarde van 2 miljoen
euro. In 2007 bedroeg de bijtelling nog 9.150 euro
(het
maximum). In 2008 stijgt de bijtelling via inflatiecorrectie van het bestaande
maximum tot 9300 euro. In
2009
vervalt het maximum, waardoor de bijtelling zal stijgen tot 11.000 euro.
Vervolgens zal de bijtelling in de jaren 2010 tot en met 2016 elk jaar met
2.571 euro stijgen (0,2571% van de 1 miljoen die in dit voorbeeld onder het
hogere eigenwoningforfait komt te vallen). In 2016 is de eindsituatie bereikt,
waarbij de bijtelling in totaal 29.000 euro zal gaan bedragen. Eenvoudshalve is
er in voorgaand cijfervoorbeeld van uitgegaan dat de waarde van de eigen woning
niet wijzigt en dat er geen inflatiecorrectie plaatsvindt. Overigens is het
enigszins verbazend om vast te stellen dat staatssecretaris Jan-Kees de Jager
tijdens de parlementaire behandeling van het Belastingplan 2008 heeft ontkend
dat bij het bepalen van de percentage van het hoge eigenwoningforfait, de
hoogte van de belastingdruk in box 3 een rol zou hebben gespeeld. Laten we het
er dan maar op houden dat het toevallig is dat het hoge forfait van 2,35% bij
een inkomen dat in box 1 tegen het toptarief van 52% wordt belast, tot een
belastingdruk leidt (van 1,22%) die erg weinig verschilt van de belastingdruk
op een in box 3 gehouden belegging (van 1,2%). Volledigheidshalve
wordt
opgemerkt dat de grens van 1 miljoen euro waarboven het hoge eigenwoningforfait
van toepassing
zal
zijn, jaarlijks zal worden aangepast aan de inflatie. Bovendien blijft ook bij het
hogere eigenwoningforfait gelden
dat de
bijtelling nooit hoger kan zijn dan de eigenwoningrente die in aftrek wordt gebracht.
Voor een eigen woning met
een
WOZ-waarde van enkele miljoenen euro’s hoeft per saldo dus geen
eigenwoningforfait te worden bijgeteld als op
deze
eigen woning geen eigenwoningschuld meer rust. Aftopping
aftrek pensioenpremie Ook het voorstel om met ingang van 1
januari 2009 de aftrekbaarheid van opbrengst van de maatregelen was met in totaal
75 miljoen euro immers relatief gering.
De
onrust die de aangekondigde maatregelen veroorzaakte was echter des te groter.
Zowel binnen als buiten
het
parlement is wederom uitgebreid gediscussieerd over de topinkomens en de vraag
of, en zo ja, hoe die hoge inkomens, al dan niet langs fiscale weg, moeten
worden aangepakt. In dat verband
ontstond uiteraard ook discussie
over de
afbakening van de groep topinkomens. Het maatschappelijke ongenoegen over de
soms buitensporige
beloningen
en/of vertrekpremies van mensen aan de top van bijvoorbeeld beursgenoteerde
ondernemingen, zorg-
en
onderwijsinstellingen en energiebedrijven is voor de politiek aanleiding geweest
om ‘iets tastbaars’ te willen
doen.
Niettemin was er zowel binnen als buiten de Tweede Kamer forse kritiek op de
voorstellen om de aftrek van pensioenpremies af te toppen en het
eigenwoningforfait voor eigen woningen met een WOZ-waarde van meer dan 1
miljoen euro fors te verhogen. Gefaseerde verhoging eigenwoningforfait
Wat betreft de voorgestelde verhoging
van het
eigenwoningforfait werd gesteld dat daardoor ook belastingplichtigen zouden
worden getroffen die ten opzichte van hun inmiddels fors in waarde gestegen eigen
woning een relatief laag inkomen hebben, waardoor zij door de stijging van het
eigenwoningforfait gedwongen zouden worden te verhuizen naar een goedkopere
woning dan wel een aanvullende lening zouden moeten nemen en aldus hun eigen
woning zouden moeten ‘opeten’.
Na veel
discussie met de Tweede Kamer pensioenpremies af te schaffen voor zover deze
premies betrekking hebben
op een
pensioengevend salaris van 185.000 euro of meer, heeft tot veel commotie geleid.
Ook die maatregel zou, zo
werd
betoogd, niet voldoende toegespitst zijn op de echt hoge inkomens die zich in de
ogen van sommige politici ‘schuldig’ maakten aan maatschappelijk minder gewenste
vormen van zelfverrijking. Niettemin is deze maatregel in het Belastingplan
2008 vooralsnog overeind gebleven. Het lijkt echter niet waarschijnlijk dat
deze maatregel in 2009
daadwerkelijk
zal worden ingevoerd. Door de Tweede Kamer is namelijk een motie aangenomen
waarin de regering
wordt
verzocht om de voorgestelde maatregel inzake de beperking van de aftrekbaarheid
van pensioenpremies te
vervangen
door één of meer andere maatregelen die meer gericht zijn op excessieve
beloningsbestanddelen en
die
dezelfde opbrengst genereren De Tweede Kamer vraagt om zo spoedig mogelijk te
worden geïnformeerd over
de
mogelijkheden daartoe.
Waarschijnlijk
zal deze maatregel in het Belastingplan 2009 dus weer ongedaan worden gemaakt
en worden vervangen door een andere maatregel.
In dat
verband is het zeker niet ondenkbaar dat de thans overeengekomen gefaseerde
verhoging van
het
eigenwoningforfait ook weer ter discussie zal worden gesteld, teneinde de negatieve
inkomenseffecten, die op
termijn
zeer fors kunnen zijn, van die maatregel te kunnen beperken.
Uitstel voor de DGA in de
inkomstenbelasting
Het was
de bedoeling dat met ingang van 1 januari 2008 voor de
directeur-grootaandeelhouder geen loonbelasting meer hoefde te worden
ingehouden. Door deze wijziging, die voortvloeit uit een vorig jaar bij de
behandeling van het Belastingplan 2007 door de Tweede Kamer aangenomen amendement,
zou de DGA dan voortaan rechtstreeks in de heffing van de inkomstenbelasting
worden betrokken. Aan die mogelijkheid zouden overigens wel de voorwaarden
worden verbonden dat er op 1 januari bij de BV van de DGA geen andere personen
in dienst zijn.
Inmiddels
is na overleg tussen staatssecretaris De Jager en de Tweede Kamer gebleken dat
deze wijziging niet
per 1
januari 2008 kan worden doorgevoerd omdat invoering op een dergelijke korte
termijn complicaties zou opleveren voor betrokkenen. Die complicaties hingen
samen met het feit dat de overheveling naar de inkomstenbelasting een verplicht
karakter heeft waardoor een DGA die in de loonbelasting gebruik maakt van
bepaalde faciliteiten, zoals de faciliteit voor speur- en ontwikkelingswerk, per
saldo nadeel van de overheveling
zou
kunnen ondervinden. Naar aanleiding daarvan zijn in het overleg met de Tweede
Kamer drie
opties
aan de orde geweest, te weten:
1)vasthouden
aan het in het Belastingplan 2008 opgenomen voorstel om een en
ander
toch per 1 januari 2008 in te voeren,
2)
aanpassing van de maatregel waardoor voor DGA’s die in de loonbelasting
zouden
willen blijven een ‘optingout’ mogelijkheid zou worden gecreëerd en
3)
uitstel van invoering tot 1 januari 2009. Na overleg met organisaties van
belastingadviseurs,
accountants en werkgevers is geconcludeerd dat invoering
per 1
januari 2008 in ieder geval geen reële optie was. Vervolgens is na
overleg
tussen de Belastingdienst, de hiervoor genoemde organisaties en
VNO-NCW
en MKB-Nederland een voorkeur uitgesproken voor uitstel tot 1 januari 2009.
Staatssecretaris
De Jager heeft daar mee ingestemd, omdat introductie van een keuzemogelijkheid
voor
de DGA
in dit late stadium van voorbereiding een aanzienlijke
automatiseringstechnische
inspanning
van de Belastingdienst zou vergen. Bovendien zou er dan in 2008 een onwenselijk
handhavingsregime
kunnen ontstaan, omdat een deel van de DGA’s onder de loonheffing zou blijven
vallen en een deel van de DGA’s zou worden overgeheveld naar de
inkomstenbelasting.
Meewerkaftrek
blijft in stand Tijdens de parlementaire
behandeling van het Belastingplan 2008 is gebleken dat de Tweede Kamer het niet
eens was met het kabinetsvoorstel om met ingang van 1 januari 2008 de
meewerkaftrek af te schaffen. Het kabinet had deze maatregel voorgesteld omdat
de meewerkaftrek als fiscale faciliteit geen toegevoegde
waarde
meer zou hebben en dat er voor belastingplichtigen in plaats van de meewerkaftrek
aantrekkelijker alternatieven beschikbaar zijn, zoals het betalen van een reële
arbeidsbeloning aan de meewerkende partner of het aangaan van een zogenoemde
man-vrouwfirma. Belangrijker was echter dat het kabinet de opbrengst van deze
maatregel, 7 miljoen euro, nodig had ter bekostiging van een andere maatregel,
die was gericht op het verruimen van de mogelijkheden om zonder fiscale
afrekening de ene onderneming te staken en een andere onderneming te beginnen. Volgens
de Tweede Kamer voorziet de meewerkaftrek nog wel degelijk in een behoefte van belastingplichtigen, te meer daar de
meewerkaftrek uit een oogpunt van administratieve lasten erg eenvoudig is toe
te passen. De reële arbeidsbeloning en de man-vrouwfirma zouden veel meer
administratieve lasten opleveren. In verband daarmee heeft de Tweede Kamer via
een amendement geregeld dat de meewerkaftrek toch in stand blijft. Omdat
amendementen in principe budgettair neutraal moeten zijn, wordt de 7 miljoen
euro die het afschaffen
van de
meewerkaftrek op moest brengen nu gerealiseerd door een additionele verhoging
van de accijns op rooktabak (shag).
Vliegbelasting
Maar
ook belastingmaatregelen rondom het thema duurzaamheid hebben de gemoederen
behoorlijk beziggehouden.
Neem de
vliegbelasting. Ondanks veel weerstand van belanghebbenden worden de
kabinetsplannen om op 1 juli 2008 een vliegbelasting in te voeren toch
doorgezet. Voor korte vluchten binnen de Europese Unie en naar bestemmingen tot
maximaal 2500 kilometer van de luchthaven van vertrek bedraagt het tarief 11,25
euro. Voor alle overige, lange, vluchten is het tarief 45 euro. De
vliegbelasting geldt niet voor vrachtvervoer en voor transferpassagiers. In de
Tweede Kamer zijn overigens wel kritische kanttekeningen geplaatst bij de
vormgeving van (het tarief van) de vliegbelasting. De vaste tarieven zouden te
weinig rekening houden met de effecten
op het
milieu. In verband daarmee heeft de Tweede Kamer staatssecretaris Jan-Kees de
Jager per motie verzocht
om voor
1 mei volgend jaar te komen met een analyse van de mogelijkheden om de
vliegbelasting te relateren aan de
af te
leggen afstand en het vliegtuigtype waarmee wordt gevlogen. Omdat een tariefdifferentiatie
op basis van afstand
en
vliegtuigtype een betere aansluiting geeft op de feitelijke milieudruk, zou het
maatschappelijke begrip voor de vliegbelasting volgens de Tweede Kamer kunnen
toenemen. Het ziet er dus naar uit dat we in het najaar van 2008 bij de behandeling
van het Belastingplan voor 2009 een nieuwe discussie over aanpassing van de
tarieven van de vliegbelasting tegemoet kunnen zien.
Verpakkingenbelasting
De
nieuwe, via het Belastingplan 2008 voorgestelde, verpakkingenbelasting is door
de Tweede Kamer vrijwel ongewijzigd aanvaard. Wel is er een kleine aanpassing van
de tarieven voor de zeven verschillende verpakkingsmaterialen (glas, aluminium,
overige metalen, kunststof, papier en karton, hout en overige materiaalsoorten.
De maatregel, die voor de exploitanten van speelautomaten feitelijk als een soort
extra winstbelasting zou moeten gaan fungeren, zou immers 200 miljoen euro
moeten opleveren. Daar kwam nog
bij dat
de door het kabinet beoogde invoeringsdatum van deze maatregel van 1 januari
2009 als een van de elementen ter bekostiging van een aantal wensen van de
coalitiepartijen bij de algemene financiële beschouwingen in september vorig
jaar, is vervroegd naar 1 juli 2008. Na uitgebreide discussie binnen en buiten
het parlement is staatssecretaris De Jager tot de conclusie gekomen dat de
voorgestelde lastenverhoging van 19% omzetbelasting naar 40,85%
kansspelbelasting voor de speelautomatensector inderdaad te fors is. Een van de
redenen waarom de staatssecretaris op dit punt overstag is gegaan is dat de sector
hem ervan heeft overtuigd dat de mogelijkheden om deze extra belasting af te
wentelen voor deze specifieke branche kleiner zijn dan voor andere branches. In
verband daarmee is besloten het tarief voor de door de exploitant af te dragen
kansspelbelasting op casinospelen,
kansspelautomaten
en, indien het daartoe strekkende separate wetsvoorstel dat thans in de Eerste
Kamer
wordt
behandeld voor die datum wordt aanvaard, kansspelen via internet met ingang van
1 juli 2008 niet op 40,85% te stellen maar op 29%. Daarmee gaat voor dergelijke
activiteiten in de kansspelbelasting hetzelfde tarief gelden als voor loterijen,
prijsvragen en dergelijke. De verzachting van de lastenverzwaring voor de
speelautomatensector leidt
ertoe
dat de opbrengst van de maatregel niet 200 miljoen euro maar 90 miljoen euro
bedraagt. Dit ‘verlies’ aan opbrengst wordt gecompenseerd via een additionele verhoging
van de tarieven van de tabaksaccijns (sigaretten en shag).
Uitstel fijnstofdifferentiatie
in de BPM
In het
Belastingplan 2008 was aanvankelijk voorgesteld om per 1 februari 2008 in de
BPM voor dieselauto’s een differentiatie naar emissie van fijnstof in te voeren.
Via een nota van wijziging heeft staatssecretaris De Jager echter voorgesteld deze
maatregel uit te stellen tot 1 april 2008. Hierdoor krijgt de autobranche meer
gelegenheid om voorraden die zijn ontstaan voordat de fijnstofmaatregel is
gepubliceerd, te verkopen. Op grond van een overgangsbepaling kunnen auto’s die
voor 1 april 2008 op kenteken zijn gezet, wat betreft de fijnstofdifferentiatie
nog
twee maanden, dus tot 1 juni 2008, volgens het huidige BPM-tarief zonder
fijnstofdifferentiatie worden verkocht.
Ook in
het tarief van de fijnstofdifferentiatie is een wijziging aangebracht. Dieselauto’s
die in het geheel geen fijnstof
uitstoten
komen in aanmerking voor een BPM-korting van 900 euro, in plaats van de eerder
voorgestelde 1000 euro.
De BPM-toeslag
per milligram fijnstof die per kilometer wordt uitgestoten is echter gelijk
gebleven en bedraagt 200 euro, met een maximum van 4000 euro. Deze maximale
fijnstofmalus is van toepassing voor dieselauto’s die volgens de Euro-4- norm
een maximaal toegestane fijnstofuitstoot van 25 milligram per kilometer hebben.
Dit uitstel kost in 2008 eenmalig 13 miljoen euro, maar levert vanaf 2009, door
het verlagen van de maximale BPM-korting van 1000 euro naar 900 euro, structureel
13 miljoen euro op. Als gevolg van het uitstel van de fijnstofdifferentiatie van
1 februari naar 1 april 2008 is besloten dat het vervallen van de huidige
BPM-korting van 600 euro voor dieselauto’s met een fijnstofuitstoot van minder dan 5 milligram
per kilometer (veelal bereikt via toepassing van een roetfilter) ook tot 1
april 2008 wordt uitgesteld. miek en textiel)) doorgevoerd, die zowel voor
primaire als secundaire en tertiaire verpakkingen geldt. Bovendien is er op verzoek
van de Tweede Kamer een achtste verpakkingsmateriaal aan de lijst verpakkingsmaterialen toegevoegd, en wel
biokunststof. Omdat biokunststof biologisch afbreekbaar is, waardoor de
milieudruk
ongeveer de helft bedraagt, zal voor die materiaalsoort een tarief gaan gelden
dat 50% bedraagt van het
tarief
voor ‘gewone’ kunststof verpakkingen. Ten slotte is door de Tweede Kamer via
een amendement ook afgedwongen dat flessen waarop een statiegeldregeling voor
consumenten van toepassing is niet onder het hoge tarief voor primaire
verpakkingen mogen vallen, maar onder het lagere tarief voor secundaire/tertiaire
verpakkingen. Probleem bij deze laatste
maatregel is wel dat deze niet past binnen de aard en de opzet van de verpakkingenbelasting,
waardoor
mogelijk sprake is van een staatssteunmaatregel die aangemeld moet worden bij
en goedgekeurd moet
worden
door de Europese Commissie. In verband daarmee gaat het lagere tarief voor
statiegeldflessen later, op een bij koninklijk besluit te bepalen datum in.
Kansspelbelasting voor
speelautomaten
Het
kabinetsvoorstel om speelautomaten onder de kansspelbelasting te laten vallen
heeft niet alleen in de ‘getroffen’
sector,
maar ook in de Tweede Kamer, veel weerstand opgeroepen. Vooral de mate van de
lastenverzwaring die zou
optreden
door de huidige heffing van 19% omzetbelasting over de opbrengst van het spelen
met speelautomaten te
vervangen
door een kansspelbelasting van 40,85% over het verschil tussen de in een tijdvak
ontvangen inzetten en de in dat tijdvak aan prijswinnaars ter beschikking gestelde
prijzen, leidde tot kritiek.
Alles ligt vast in wetten en
regelgeving,
maar
het gaat er om hoe je die wetten en die regelgeving uitlegt. De adviseur en de
belastinginspecteur kunnen er in een bepaalde zaak verschillend over denken. ‘Als
er een conflict is met de inspecteur over de uitleg van de wet en de
belastingadviseur van mening is dat hij het juist ziet, is er een hele scala
van mogelijkheden’, aldus Majoor. Als adviseur
begin je met je standpunt in de aangifte van je cliënt op te nemen. De
inspecteur kan dit standpunt onjuist vinden
en aankondigen dat hij een aftrekpost zal schrappen of een opbrengst wel zal belasten.
Als de adviseur volhardt in zijn standpunt, zal de inspecteur de aanslag opleggen
zoals hij denkt dat het moet. De adviseur kan dan bezwaar maken tegen de
aanslag. Dit bezwaar komt terecht bij een andere inspecteur, die eventueel een
andere kijk op de zaak heeft. Wanneer die ook tot de conclusie komt dat de
adviseur ongelijk heeft, kan deze naar de rechtbank stappen. Als hij ook daar
verliest, kan hij naar het gerechtshof gaan en uiteindelijk naar de Hoge Raad,
die zal beoordelen of zijn standpunt aanvaardbaar is.
Kosten vooraf overwegen
Zo’n
bezwaartraject is uiteraard een kostbare zaak voor de belastingplichtige. Majoor:
‘Hoe verder je komt, hoe duurder het wordt. Het is daarom raadzaam de kosten
vooraf te overwegen en te vergelijken met de aanslag, waarover het gaat. Als de
cliënt vindt dat het te duur wordt, kan de adviseur, als het om een
principezaak
gaat,
voor eigen rekening en eigen risico doorgaan. Dat kan heel goed zijn, want zo
kan een stukje van de wet
duidelijker
worden.’ De wetgebieden, waar de belastingadviseur mee te maken heeft, zijn
niet helemaal
zwart-wit.
Je hebt ook dingen, die in een grijs gebied liggen. Als je daar inzicht in
hebt, kun je gebruik maken van
de
mogelijkheden, die je ziet of bedenkt, en het ligt aan de reactie van de
inspecteur wat er verder gebeurt en wat de
adviseur
te doen staat.
Uitleg belastingwet vaak
uitdaging voor adviseur
Op
redelijke wijze de grenzen van de belastingwet opzoeken
Het is
weer zover: de belastingaangifte moet worden ingevuld. Het is de
taak
van een belastingadviseur om zijn cliënten zodanig door de jungle
van de
wetgeving te loodsen dat zij zo min mogelijk belasting betalen.
‘Daar
is wel een grote mits bij’, zegt Patrick Majoor (42), woordvoerder
van Majoor
Belastingadviseurs. 'En dat is dat je
binnen
het raam van de wet blijft.’
PIET PEPERKAMP INTERVIEW
Patrick
majoor: ‘Met een op argumenten gebaseerd verdedigbaar standpunt staat de
belastingadviseur sterk’
INTERVIEW
‘Waar
het om gaat, is dat een belastingadviseur
niet
opzettelijk de wet mag
overtreden.
Als hij dat wel zou doen, is
hij met
fraude bezig. Hij mag wel de
grenzen
van de wet opzoeken. Daarbij
moet
hij altijd de redelijkheid in acht
nemen.
Dat betekent dat hij uitgaat van
een
standpunt, dat op grond van argumenten
binnen
het raam van de wet
verdedigbaar
is.’
Raam van de wet oprekken
De
vraag is in hoeverre de belastingadviseur ten behoeve van de belastingplichtige
het raam van de wet kan oprekken.
Kan het
gebeuren dat de adviseur het gevoel krijgt dat hij balanceert op de rand van
belastingfraude? ‘Nou, belastingfraude kan natuurlijk niet. Het kan gebeuren
dat een adviseur het idee heeft dat hij eigenlijk heel ver of te ver gaat. Als
hij denkt dat hij met iets te ver gaat, moet hij dat niet doen. Maar waar ligt
de grens? Bij deze vraag gaat het mede om de deskundigheid van de adviseur. De grens
kan bij elke adviseur ergens anders liggen. De belastingwet is uitermate ingewikkeld.
Zo kan degene, die zich meer heeft verdiept in een bepaald onderdeel van de
wetgeving er anders over denken dan een andere adviseur, die meer expert is in
een ander onderdeel van de wetgeving. Het kan ook gebeuren dat adviseurs iets
ethisch niet verantwoord vinden en daarom ergens niet aan mee willen doen.’
Je
hoeft niet te hopen dat de belastinginspecteur enige speelruimte geeft aan een
adviseur, die met zijn standpunt over een bepaald onderwerp op de rand denkt te
komen van wat binnen het raam van de wet aanvaardbaar is. De inspecteur zal de
adviseur vragen waarom hij van mening is dat hij dit kan doen. Dan ligt het er
aan of de adviseur met zodanig goede argumenten kan komen, dat ook de
inspecteur vindt dat zij verdedigbaar zijn.
Vraag voorleggen
‘Je
kunt als adviseur ook proberen om vóór dat je de aangifte indient, een vraag voor
te leggen aan de inspecteur’, zegt Majoor. ‘Maar als het dan echt gaat om grensverkenning
van de wet, zal de inspecteur daar niet aan meewerken.
Wanneer
duidelijk is dat de inspecteur in een grensgeval vooraf geen uitspraak wil doen,
kan een adviseur een andere weg volgen. Hij kan zijn mening met een aparte
aantekening als verdedigbaar standpunt bij de aangifte indienen. Als hij dit
doet, dwingt hij de inspecteur om zelf een standpunt in te nemen.’ Overigens
moet je goed gebruik
maken
van de mogelijkheden, die de wet al biedt om de aangifte voordeliger te maken.
Kijk welke aftrekposten je kunt
gebruiken.
Onderzoek hoe op maximale wijze van de fiscale
partnerregeling kan worden geprofiteerd.
Je mag
de aftrek van de eigen woning verdelen over de fiscale partners en dat kan ook
als de
woning
van een van hen is.
Kijk
wie het hoogste persoonlijke inkomen en het hoogste verzamelinkomen heeft en
die partner reken je de aftrek toe. Je kunt ook splitsen, bijvoorbeeld 60
procent van de aftrek zet je bij de een en 40 procent bij de ander.
Heffingskortingen
Bij de
aangifte dien je ook te onderzoeken of alle heffingskortingen worden toegepast.
Die kortingen moet de belastingplichtige zelf aangeven, want de Belastingdienst
zal dit niet uit eigen beweging doen. Als je een heffingskorting,
waar je recht op hebt, niet toepast, krijg je hem ook niet. Alle uitgaven op he